Een non-concurrentiebeding kan een werknemer aanzienlijk beperken in zijn mogelijkheden om na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaam te zijn. Het spreekt vanzelf dat een concurrerende nieuwe werkgever niet blij zal zijn met een non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van een kandidaat-werknemer. Dat de nieuwe werkgever in dit verband jegens de oude werkgever onrechtmatig kan handelen als hij de werknemer in dienst neemt, is bij de meeste werkgevers bekend. Minder bekend is dat er onder omstandigheden ook een plicht op de werkgever rust om te onderzoeken of er op de werknemer een non-concurrentiebeding drukt. Het gerechtshof te Amsterdam oordeelde dat dit het geval was in onderstaand arrest.
KantonrechterZowel de oude als de nieuwe werkgever ontwikkelen en produceren televisieprogramma’s en zijn te beschouwen als elkaars concurrenten. De werkneemster is in augustus 2004 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de oude werkgever in de functie van commercial editor, in welke functie zij verantwoordelijk was voor het efficiënt laten verlopen van spelprogramma’s. In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen met de duur van één jaar, te rekenen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst. Op 30 september 2005 zegt de werkneemster haar arbeidsovereenkomst op per 1 november 2005, onder mededeling dat zij bij de nieuwe werkgever in dienst zal gaan treden. De oude werkgever heeft vervolgens de werkneemster gesommeerd hiervan af te zien en de werkgever gesommeerd om de werkneemster niet in dienst te nemen. Tevens vordert de oude werkgever betaling van de contractuele boete van 15.000 euro. De boete voldoet de nieuwe werkgever onder protest, echter zij weigert aan de eerste eis van de oude werkgever tegemoet te komen. De kantonrechter verbiedt – kort gezegd – de werkneemster bij de nieuwe werkgever in dienst te treden en de nieuwe werkgever haar in dienst te nemen. Tevens matigt hij het non-concurrentiebeding van een jaar tot vijf maanden waarmee de kantonrechter meent recht te doen aan de belangen van beide partijen. De kantonrechter neemt aan dat de werkneemster na vijf maanden niet meer over informatie beschikt die de oude werkgever schade zou kunnen berokkenen.
Hoger beroepIn hoger beroep staat primair de vraag ter discussie of de oude werkgever zowel nakoming van het non-concurrentiebeding als de contractuele boete kan vorderen. Gezien het feit dat de regeling zodanig is vormgegeven dat nakoming de verschuldigdheid van de boete niet uitsluit, beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. Interessanter is dat het hof stelt dat het de vraag is of de nieuwe werkgever zich bewust is geweest van de wanprestatie die de werkneemster maakte door haar non-concurrentiebeding te schenden, of zich daarvan bewust had moeten zijn. De nieuwe werkgever ontkent van het beding op de hoogte te zijn geweest. Het hof overweegt dat de nieuwe werkgever zich had moeten realiseren dat de mogelijkheid van aanwezigheid van een non-concurrentiebeding zich voor zou kunnen doen en hier gericht naar had moeten vragen. Dat hij dit heeft nagelaten, is onzorgvuldig jegens de oude werkgever. Het in dienst nemen van de werkneemster zonder acht te slaan op een mogelijk non-concurrentiebeding is onrechtmatig. Uiteindelijk matigt het hof de door de kantonrechter opgelegde boete, maar bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter op de overige punten.
ConclusieDe uitspraak laat duidelijk zien hoe juridisch omgegaan moet worden met kandidaten afkomstig van een concurrent. Het hof spreekt van een onderzoeksplicht van de werkgever in de sollicitatiefase met betrekking tot een mogelijk non-concurrentiebeding. Zoals aangegeven was het al langer bekend dat concurrerende werkgevers onderling onrechtmatig jegens elkaar kunnen handelen bij het in dienst nemen van elkaars werknemers. Hoewel het voor de hand lijkt te liggen dat er op een werkgever in dit verband een onderzoeksplicht rust, is dit in de rechtspraak in het verleden nog niet met zoveel woorden voorgekomen. Het hof in Amsterdam heeft zich nu duidelijk uitgesproken. Het is dus aan te raden om het bestaan van een concurrentiebeding tijdens een sollicitatieprocedure uitdrukkelijk aan de orde te stellen.
Gerechtshof Amsterdam, 6 april 2006 (JAR 2006/280)












